Opties

Wanneer men in opties doet is het goed te weten hoe er mee om te gaan. De optiebeurs in Amsterdam (eerste in Europa, vandaar ook de oorspronkelijke naam: European Option Exchange (EOE)) is gestart in 1978. Aanvankelijk aarzelend heeft deze handel in de loop der jaren een enorme vlucht genomen. De optiehandel is voortgekomen uit de handel in futures (termijncontracten), destijds het domein van de Chicago Board of Trade. Hierop werden alle zgn. commodities verhandeld zoals granen en later ook grondstoffen, edelmetalen alsmede valuta’s etc. Deze laatste vallen nu onder de Chicago Mercantile Exchange (CME), onderdeel van de Chicago Board Options Exchange, de grootste optiebeurs ter wereld. Aardig om te weten is, dat er in de 17e (gouden) eeuw al een tulpentermijnmarkt bestond in Amsterdam.

Een future wordt altijd uitgeoefend, dwz. de verkoper is te allen tijde gehouden aan de koper een goed of financiële waarde fysiek te leveren tegen de prijs, die bij het aangaan van het (termijn)contract was vastgelegd. Hieruit voortgevloeid is de optiehandel in aandelen, obligaties, edelmetalen en valuta’s (onderliggende waarden), waarbij de optie niet per sé wordt uitgeoefend.

We beperken ons tot de opties. Opties behoren tot het vaste instrumentarium van veel beleggers en zijn niet meer weg te denken uit de financiële markten. Handelen in opties maakt het mogelijk te profiteren van een stijging of daling van de koersen zonder ook maar één aandeel, obligatie, valuta of andere onderliggende waarde te bezitten. Dus met een veel geringere inleg kan men op dezelfde wijze als de bezitter van de onderliggende waarde profiteren van de marktbewegingen en daardoor een veel hoger winstpercentage op geïnvesteerd vermogen bereiken. Dit noemt men de hefboomwerking. Overigens kunnen bezitters van die onderliggende waarde zich ook beschermen tegen de gevolgen van een koersdaling, of middels het schrijven van opties extra inkomen verwerven. Kortom, opties bieden voordelen zowel aan de bezitters als ook aan de niet-bezitters van de onderliggende waarden.

Een optie is niets anders dan een recht om gedurende een vastgestelde termijn (looptijd) een vaste hoeveelheid van een onderliggende waarde tegen een overeengekomen prijs (uitoefenprijs) te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). Dit uitoefenrecht kan worden verkregen tegen betaling van een bepaald bedrag in geld: de optiepremie. Een optie geeft het recht de onderliggende waarde te kopen of te verkopen. Afhankelijk van de koersontwikkeling van de onderliggende waarde is het wel of niet lonend van dat recht gebruik te maken. Het voordeel van een optie is, dat men de onderliggende waarde – tegen het volle bedrag – niet hoeft te kopen. Met een optie betaalt men slechts een fractie van die onderliggende waarde.

Opties dienen te voldoen aan een aantal standaardvoorwaarden. Deze standaardisatie heeft betrekking op de contractgrootte (het aantal onderliggende waarden van een eenheid), de looptijd, de afloopdatum (expiratie) – meestal de derde vrijdag van de maand – en de uitoefenprijs. De koers van de optie is het enige variabele element en wordt genoteerd per eenheid van de onderliggende waarde (de noteringseenheid). In de praktijk werkt de optiebeurs doorgaans met contracten, die 100 eenheden van de onderliggende waarde bevatten. De koers van de optie moet dus met 100 worden vermenigvuldigd. Daarbij komen dan de transactiekosten, gemiddeld 10 euro per contract. Omdat er een aantal elementen ten grondslag liggen aan een optie, wordt gebruik gemaakt van een verkorte schrijfwijze, bijv. call/AKZO/okt17/50. Dit betekent dan dat de optie het recht geeft tot en met de 3e vrijdag van oktober 2017 100 aandelen AKZO te kopen tegen de prijs van € 50 per aandeel.